In De Antichrist (1888) ontleedt Nietzsche in zijn kenmerkende vlijmscherpe stijl de historische ontwikkeling van het christendom en bekritiseert hij de verwoestende invloed van priesterkasten op de menselijke psychologie en cultuur.
Nietzsche stelt dat het christendom de natuurlijke instincten van de mens onderdrukt door middel van een ressentimentsmoraal, die medelijden verheerlijkt en de ontkenning van de realiteit propageert. Hiermee ondermijnt de religie de vitale wil tot macht. Hij beschouwt het christendom dan ook als een religie van verval (décadence).
Juist de compromisloosheid en de helderheid maken van dit werk een uitstekende introductie tot Nietzsche. Een aantal van zijn meest cruciale kernbegrippen komen in dit late geschrift samen, al staat het ook bekend als één van zijn meest ‘agressieve’ werken.
Inkijkexemplaar (pdf)